20 Algemeen politiereglement. Aanpassingen bepalingen brandveiligheid. Goedkeuring. - GOEDGEKEURD
Beslissing
Feiten en motivering
Op de zoneraad van de brandweer werd een voorstel tot aanpassing van de gemeentelijke politiereglementen betreffende het hoofdstuk brandveiligheid in publiek toegankelijke inrichtingen besproken met verzoek dit over te maken aan de betrokkenen gemeentebesturen voor goedkeuring en opname in het lokale politiereglement. De zonale brandweerpreventiedienst verzoekt om goedkeuring van het document 'Wijzigingen aan het politiereglement voor publiek toegankelijke inrichtingen' zoals door hen voorgelegd.
Juridisch kader
Art.2, 40§1, 135, 285, 286 van het Decreet Lokaal Bestuur.
Art.119 Nieuwe Gemeentewet.
Het Algemeen Politiereglement Brasschaat gecoördineerde versie van 15 december 2025
Wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen.
Adviezen
De adviezen van de betrokken diensten zullen verder worden opgenomen met de brandweercommandant.
Financiële gevolgen
Er zijn geen financiële gevolgen.
BESLUIT eenparig:
Art.1.- De gemeenteraad verleent goedkeuring aan de herwerkte versie van Titel VII, Hoofdstuk 7-Maatregelen tot het voorkomen en bestrijden van brand in publiek toegankelijke inrichtingen van het Algemeen Politiereglement zoals alsvolgt:
Toelichting
Dit gedeelte van het politiereglement heeft uitsluitend betrekking op de aspecten van brandveiligheid in publiek toegankelijke gebouwen, zowel van tijdelijke als van permanente aard. Het document zorgt voor een uniform reglement binnen de gemeenten van brandweer Zone Rand.
2. Inhoudsopgave
1.a. Definities
1.b. Toepassingsgebied
1.c. Brandveiligheidsattest
1.d. Toezicht en controle
1.e. Afwijkingen
1.f. Sancties
1.g. Inwerkingtreding
2.a. Algemeen
2.b. Aantal toegelaten personen
3.a. Inplanting
3.b. Compartimentering en bouwelementen
3.c. Voorschriften voor sommige bouwmaterialen en versieringen
3.d. Voorschriften voor de evacuatiewegen, uitgangen en trappen
3.e. Constructievoorschriften voor technische ruimten
3.f. Uitrusting van de gebouwen
3.g. Organisatie
4.a. Inplanting
4.b. Compartimentering en bouwelementen
4.c. Voorschriften voor sommige bouwmaterialen en versieringen
4.d. Voorschriften voor de evacuatiewegen, uitgangen en trappen
4.e. Constructievoorschriften voor technische ruimten
4.f. Uitrusting van de gebouwen
4.g. Organisatie
5.a. Inplanting
5.b. Compartimentering en bouwelementen
5.c. Voorschriften voor sommige bouwmaterialen en versieringen
5.d. Voorschriften voor de evacuatiewegen, uitgangen en trappen
5.e. Constructievoorschriften voor technische ruimten en keuken
5.f. Uitrusting van de gebouwen
5.g. Organisatie
6.a. Indienen aanvraag
6.b. Adviezen
3. Administratieve bepalingen
Voor de toepassing van dit reglement gelden de begrippen, vermeld in bijlage 1 bij het Koninklijk Besluit van 7 juli 1994 [en volgende wijzigingen], aangevuld met volgende definities.
3.1. Definities
3.1.1. Publiek toegankelijke inrichting (PTI):
Publiek toegankelijk gedeelte met aanhorigheden
3.1.2. Exploitant:
Natuurlijke persoon of rechtspersoon die, al dan niet tijdelijk, een inrichting of installatie exploiteert, haar, al dan niet tijdelijk, in bezit heeft of er, al dan niet tijdelijk, economische zeggenschap over heeft.
3.1.3. Aanhorigheden:
Alle ruimten die in functie staan van het publiek toegankelijke gedeelte, hiertoe behoren o.a.
● Kitchenettes en keukens;
● Bergingen;
● ….
Het privéwoongedeelte van de exploitant maakt eveneens deel uit van de aanhorigheden, tenzij brandwerend gecompartimenteerd met wanden EI60, en deuren EI130.
3.1.4. Bestaande inrichting:
Een inrichting die reeds voor de invoering van het reglement in exploitatie was en intussen niets is gewijzigd.
3.1.5. Nieuwe inrichting:
Een inrichting :
● die nieuw opgericht wordt;
● waarvan de hoofdfunctie wijzigt;
● waarvan de exploitant wijzigt;
● waarvan de organen van de rechtspersoon wijzigen.
3.1.6. Verbouwen:
Structurele wijzigingen aanbrengen die een invloed hebben op de stabiliteit en/of brandweerstand van de scheidende elementen.
3.1.7. Uitbreiden:
Een publiek toegankelijke inrichting in oppervlakte en/of volume vergroten.
3.1.8. Herinrichten:
Herinrichten: Een bestaande publiek toegankelijke inrichting wijzigen zonder aanpassingen aan de structuur maar wel met invloed op:
● brandcompartimentering
● aantal gebruikers
● evacuatie(wegen)
3.1.9. Indeling categorieën
De publiek toegankelijke inrichtingen zijn ingedeeld in 3 categorieën, volgens het aantal toegelaten personen:
● Categorie 1: maximum 9 personen toegelaten;
● Categorie 2: minimum 10 en maximum 49 personen toegelaten;
● Categorie 3: 50 personen of meer toegelaten.
De exploitant stelt op eigen verantwoordelijkheid het aantal toegelaten personen vast, binnen de aangegeven verhoudingen in artikel 4.2.
3.2. Toepassingsgebied
3.2.1. De bepalingen van dit reglement zijn van toepassing op alle publiek toegankelijke inrichtingen.
3.2.2. Dit reglement is niet van toepassing op:
Gebouwen waar een specifieke reglementering voor de brandveiligheid van toepassing is;
● Kantoren;
● Scholen voor hun onderwijsopdracht : gebouwdelen van scholen die buiten de schooluren door derden gebruikt worden, worden wel als publiek toegankelijke inrichting beschouwd.
● Parkeergebouwen;
● Gebouwen voor uitoefening van erkende erediensten : in zoverre deze enkel gebruikt worden voor de erediensten. Worden deze ook voor andere doelen gebruikt dan worden ze als publiek toegankelijke inrichtingen beschouwd.
● Lokalen of gebouwen die niet werden ontworpen als publiek toegankelijke inrichting en die maximum 2x per jaar voor een periode van maximum 5 dagen worden opengesteld voor publiek;
● Installaties in open lucht en uitbatingen in tijdelijke constructies.
3.3. Brandveiligheidsattest
3.3.1. Op basis van het brandweerverslag wordt voor de categorie 2 en 3 een brandveiligheidsattest afgeleverd door de burgemeester.
Categorie 1 inrichtingen dienen te voldoen aan de voorwaarden opgenomen in dit reglement maar moeten niet beschikken over een attest.
Nieuwe categorie 1 inrichtingen welke niet voldoen een de voorwaarden opgenomen in dit reglement mogen niet openen.
3.3.2. Ongeacht onderstaande bepalingen dient elke bestaande publiek toegankelijke inrichting van categorie 2 en 3 te beschikken over een brandveiligheidsattest binnen een periode van 10 jaar na de inwerkingtreding van dit reglement.
3.3.3. De exploitant van een “nieuwe” publiek toegankelijke inrichting is verplicht:
● Ten minste 30 dagen voor de opening van de inrichting de openingsdatum van de inrichting aan de burgemeester mede te delen;
● Een controle van de brandveiligheid ten minste 30 dagen voor de opening van de inrichting aan te vragen.
● Zich ervan te vergewissen dat aan alle maatregelen tot het voorkomen en bestrijden van brand, opgenomen in dit reglement, is voldaan vooraleer de inrichting te openen.
3.3.4. Het brandveiligheidsattest wordt aangevraagd door de exploitant aan de burgemeester in volgende gevallen:
● Nieuwe publiek toegankelijke inrichtingen;
● Bestaande publiek toegankelijke inrichtingen die verbouwd, heringericht of uitgebreid worden;
● Bestaande publiek toegankelijke inrichtingen met een nieuwe exploitant;
● Vóór het beëindigen van de geldigheidsduur van het brandveiligheidsattest;
● Bij wijzigingen die de brandveiligheid en/of de evacuatiemogelijkheden kunnen beïnvloeden;
● Bij toename van het aantal toegelaten personen.
3.3.5. Op het einde van de controle wordt een brandweerverslag opgemaakt.
Het brandweerverslag bevat:
● Een beschrijving van de bestaande toestand;
● Een opsomming van de vastgestelde inbreuken of tekortkomingen;
● De voorwaarden waaraan de exploitant moeten voldoen om in overeenstemming te zijn met deze reglementering.
3.3.6. Als uit het verslag van de brandweer blijkt dat de inrichting voldoet aan de brandveiligheidsnormen kan de burgemeester een brandveiligheidsattest A uitreiken. Dit attest heeft een geldigheidsduur van 10 jaar, behalve in de gevallen die zijn beschreven in punt 3.3.4.
3.3.7. Als uit het verslag van de brandweer blijkt dat de inrichting niet volledig voldoet aan de brandveiligheidsnormen, maar dat de veiligheid van het personeel en de bezoekers niet ernstig in gevaar komt, kan de burgemeester een brandveiligheidsattest B uitreiken. De burgemeester bepaalt de geldigheidsduur van het attest B, met een maximale geldigheidsduur van 5 jaar.
Bij het uitreiken van een B attest heeft de exploitant zeven maanden om een stappenplan uit te werken om aan het reglement te voldoen. Dit stappenplan wordt aan de burgemeester bezorgd binnen de vooropgestelde termijn.
Na de uitvoering van de aanpassingswerken of uiterlijk vóór het aflopen van de geldigheidsduur van brandveiligheidsattest B dient de exploitant de brandweer te verwittigen zodat een nieuw onderzoek kan worden uitgevoerd. De brandweer maakt daarvan een verslag op en bezorgt dat aan de burgemeester.
Als uit het verslag blijkt dat:
● De inrichting nu voldoet aan de brandveiligheidsnormen, kan de burgemeester een brandveiligheidsattest A uitreiken. Dit attest heeft een geldigheidsduur van 10 jaar, behalve in de gevallen die in het punt A.3.4 zijn beschreven;
● Er reeds aanpassingswerken werden uitgevoerd, maar dat er nog steeds opmerkingen zijn, kan de burgemeester het brandveiligheidsattest B verlengen indien de totale geldigheidsduur van 5 jaar nog niet werd overschreden;
● De inrichting nog steeds niet voldoet aan de brandveiligheidsnormen en het attest B de totale geldigheidsduur van 5 jaar heeft bereikt, kan de burgemeester uitzonderlijk het brandveiligheidsattest B verlengen mits verscherpte periodieke controles worden uitgevoerd met bijhorende retributie ten laste van de exploitant.
3.3.8. Als uit het verslag van de brandweer blijkt dat:
● De inrichting niet voldoet aan de brandveiligheidsnormen en hierdoor de veiligheid van personeel en bezoekers in gevaar komt,
OF
● De inrichting gedurende 5 jaar in het bezit van een B attest is zonder daarbij afdoende gevolg te geven aan de bijhorende opmerkingen,
kan de burgemeester een brandveiligheidsattest C uitreiken. In dit geval kan de uitbating van de inrichting niet starten of verder doorgaan.
3.3.9. Brandweer Zone Rand bepaalt het model van de attesten.
3.4. Toezicht en controle
3.4.1. De exploitant zal te allen tijde toegang verlenen tot de inrichting aan de bevoegde instanties, alsook aan de personen die hiertoe door de burgemeester werden gemachtigd.
3.4.2. De burgemeester kan een brandweercontrole opleggen of kan een brandveiligheidsattest laten herzien met bijhorende retributie ten laste van de exploitant.
3.5. Afwijkingen
3.5.1. Afwijkingsaanvraag
Via deze procedure kan enkel een afwijking aangevraagd worden op de voorwaarden opgenomen in deze richtlijn.
Indien het onmogelijk is te voldoen aan een of meerdere specificaties van dit reglement kan de burgemeester afwijkingen toestaan.
3.5.2. Procedure
De aanvraag tot afwijking wordt door de exploitant schriftelijk aan de burgemeester bezorgd, die ze voor advies kan doorsturen naar de afwijkingscommissie.
Het afwijkingsdossier omvat minstens volgende zaken:
● Duidelijke plannen van de inrichting, op schaal getekend;
● Verklarende nota waarom een afwijking wordt aangevraagd;
● Toelichting van het alternatieve voorstel met gelijkwaardig veiligheidsniveau.
3.5.3. Afwijkingscommissie
De afwijkingscommissie verstrekt de burgemeester een advies over de aanvragen om gelijkwaardigheid en afwijking.
De afwijkingscommissie bestaat uit de volgende leden:
● Een secretaris;
● Twee deskundigen brandveiligheid, leden van brandweer Zone Rand;
● Een externe deskundige (optioneel).
3.5.4. De afwijkingscommissie komt naar gelang de noodzaak samen, evalueert de gelijkwaardigheid van het voorgesteld veiligheidsconcept en formuleert een advies voor de burgemeester.
De afwijkingscommissie kan indien noodzakelijk het advies inwinnen van externe deskundigen.
3.5.5. Binnen de zes maanden na de aanvraag doet de burgemeester uitspraak op het gemotiveerd advies van de afwijkingscommissie en maakt de beslissing schriftelijk aan de exploitant over.
3.5.6. Uitvoering
De exploitant, die een afwijking verkrijgt, dient binnen de geldigheidsduur van brandveiligheidsattest B de beslissing van de burgemeester uit te voeren.
3.6. Sancties
3.6.1. Onverminderd de straffen van toepassing door andere wettelijke bepalingen worden de overtredingen tegen bovenstaande reglementering bestraft overeenkomstig de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties.
3.6.2. Alle overtredingen op de bepalingen van dit reglement kunnen bestraft worden met:
● Een administratieve geldboete;
● De administratieve schorsing of intrekking van de door de gemeente of haar organen afgegeven toelating of vergunning;
● De tijdelijke of definitieve sluiting van de inrichting.
De sanctionerende ambtenaar legt de administratieve geldboete op.
Het college van burgemeester en schepenen beslist over de administratieve schorsing of intrekking van een door de gemeente of haar organen afgeleverde toelating of vergunning en/of over een tijdelijke of definitieve administratieve sluiting van een inrichting.
3.6.3. De heropening van de inrichting wordt slechts toegestaan als de vereiste aanpassingen of verbouwingen uitgevoerd zijn en er een A of B attest bekomen werd.
4. Technische bepalingen
4.1. Algemeen
4.1.1. Voorliggend reglement bepaalt de minimale bepalingen inzake brandpreventie en -bestrijding, waaraan de opvatting, de bouw en de inrichting van publiek toegankelijke inrichtingen moeten voldoen.
4.1.2. Onverminderd de voorschriften opgenomen in dit reglement, neemt de exploitant de nodige maatregelen om:
● Het ontstaan van een brand te voorkomen;
● In geval van brand een veilige en snelle ontruiming van de aanwezige personen te verzekeren
● In geval van brand de hulp van de brandweerdienst onmiddellijk in te roepen;
● Ieder begin van brand snel en doeltreffend te bestrijden;
● De tussenkomst van de openbare hulpdiensten te vergemakkelijken.
4.1.3. Behalve bij een uitdrukkelijke afwijking, hebben de gebruikte termen in dit reglement de betekenis van de basisnormen, met name het Koninklijk besluit van 7 juli 1994 - bijlage 1 – “Terminologie” [en latere wijzigingen].
4.1.4. Weerstand tegen brand van een bouwelement:
Voor bouwelementen met een dragende en/of scheidende functie wordt de weerstand tegen brand uitgedrukt zoals gedefinieerd in de Europese norm NBN EN 13501 (2 tot 4). Klasseringen die worden bekomen volgens de Belgische norm NBN 713.020, worden als volgt als evenwaardig aanvaard:
| NBN EN 13501 (2 tot 4) |
| NBN 713.020 |
Voor | R 30, RE 30, REI 30 en EI 30 | Voldoet | Rf ½ u |
Voor | R 60, RE 60, REI 60 en EI 60 | Voldoet | Rf 1 u |
Voor | R 120, RE 120, REI 120 en EI 120 | Voldoet | Rf 2 u |
Voor | EI1 30 | Voldoet | Rf ½ u |
Voor | EI 60 | Voldoet | Rf 1 u |
4.1.5. De technische uitrustingen van de inrichting moeten worden ontworpen, geplaatst en onderhouden volgens de regels van goed vakmanschap.
4.1.6. De brandweer en/of burgemeester kunnen bijkomende eisen opleggen in functie van de
risico’s.
4.1.7. Basisnormen:
Het Koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de
preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen [en latere
wijzigingen].
4.1.8. Kitchenette:
Een lokaal, of een gedeelte daarvan, waarin zich (kook)toestellen bevinden met een totaal gecumuleerd elektrisch vermogen kleiner dan 10 kW, toestellen die zichzelf automatisch uitschakelen en zonder open vlam.
4.1.9. Keuken:
Een lokaal, of een gedeelte daarvan, waarin zich ofwel:
● toestellen bevinden met een totaal gecumuleerd elektrisch vermogen groter of gelijk aan 10 kW
● toestellen met open vlam
● vaste frituurtoestellen
4.1.10 Totale publiek toegankelijke oppervlakte:
Oppervlakte van het publiek toegankelijk gedeelte binnen de buitenmuren zonder aftrek van toonbanken, tapkasten en ander meubilair of goederen.
4.1.11 Vaste zitplaatsen:
Zitplaatsen, welke in de vloer of de wand van de inrichting worden verankerd. Indien de zitplaatsen niet individueel afgebakend zijn, wordt gerekend met een zitplaatsbreedte van 50 cm per persoon.
4.1.12 Geaccrediteerde keuringsinstantie:
Keuringsorganisme, erkend door FOD Economie en geaccrediteerd volgens ISO-17020.
4.1.13 Erkend organisme:
Keuringsorganisme, erkend door FOD Economie voor het uitvoeren van controles op elektrische installaties.
4.1.14 Externe Dienst voor Technische Controle:
Keuringsorganisme, die voor erkenning en werking beantwoorden aan Koninklijk besluit van 29 april 1999 en instaan voor technische controles op de werkvloer van o.a. hefwerktuigen zoals liften.
4.1.15 Bevoegd technicus:
Een persoon of organisatie met de nodige kennis, het nodige materiaal, de nodige erkenning enz.
om dergelijke controles uit te voeren (bv. gasdichtheid, verwarming, enz.).
4.1.16 Bevoegd persoon:
Een persoon die door de exploitant wordt aangeduid om bepaalde taken uit te voeren. Deze persoon beschikt daartoe over de nodige kennis en vaardigheden, alsook de noodzakelijke middelen (d.w.z. materieel en tijd) om deze taken uit te voeren.
4.1.17 Aantrede:
De horizontale projectie van de afstand tussen twee opeenvolgende trapneuzen, gemeten op de looplijn.
4.1.18 Optrede:
De verticale projectie van de afstand tussen twee opeenvolgende trapneuzen
4.1.19 Versiering:
Met versiering wordt niet de normale functionele stoffering bedoeld zoals gordijnen en overgordijnen, tafellinnen, vloerbekleding, behangpapier of stoffering rechtstreeks of onrechtstreeks op de wanden of plafonds aangebracht.
4.2. Aantal toegelaten personen
Het maximum aantal toegelaten personen wordt voorgesteld door de exploitant. Het wordt beperkt door het aantal, de ligging en de afmetingen van de uitgangen en de dimensies van de evacuatiewegen.
Het maximum aantal toegelaten personen is afhankelijk van de opstelling in en de inrichting van de zaal. Vooral bij de exploitatie van een polyvalente zaal dient hieraan bijzondere aandacht besteed te worden.
Het maximum aantal toegelaten personen kan door de brandweerdienst worden verminderd op basis van de risico’s, de bezetting, de functie, de bereikbaarheid of de inplanting van de publiek toegankelijke inrichting.
Indien de oppervlakte van de zaal maakt dat de capaciteit door de brandweer hoger ingeschat wordt dan voorgesteld door de exploitant, kan de brandweer de burgemeester adviseren om de inrichting eventueel in een hogere categorie in te delen en bijkomende uitgangen en evacuatiewegen op te leggen.
4.2.1. Maximum aantal toegelaten personen
Het maximum aantal toegelaten personen (inclusief het personeel) wordt vastgesteld aan de hand van de criteria vermeld in onderstaande punten. Het meest ongunstige criterium geldt, dus datgene dat het minst aantal personen vermeldt.
○ In winkels: de totale publiek toegankelijke oppervlakte gedeeld door 3;
○ Het aantal vaste zitplaatsen;
○ In alle andere gevallen: de totale publiek toegankelijke oppervlakte vermenigvuldigd met 3.
● Elke inrichting moet minstens over 1 uitgang beschikken;
● Het maximum aantal personen wordt als volgt bepaald:
○ 1 uitgang: maximum 99 personen;
○ 2 uitgangen: maximum 499 personen;
○ Meer dan 2 uitgangen: het aantal uitgangen wordt vermenigvuldigd met 1.000 minus 2.000.
● Het aantal uitgangen wordt bepaald per bouwlaag. De evacuatievoorschriften moeten gegarandeerd blijven tot aan de uitgang naar buiten op evacuatieniveau;
● De uitgangen dienen oordeelkundig verspreid te zijn, anders worden ze niet meegerekend;
● De breedte van de uitgangen, evacuatiewegen en trappen dient minimaal 70 cm te bedragen met een vrije hoogte van 2 m. De uitgangen die niet voldoen worden niet in rekening gebracht. Bij verbouwing en/of uitbreiding dient de minimale breedte 80 cm te bedragen;
● Er dient steeds minimum één uitgang op het evacuatieniveau rechtstreeks toegang te geven op de openbare weg of op een hiermee gelijkgestelde veilige plaats;
● Roltrappen evenals hellende vlakken met een helling van meer dan tien procent komen niet in aanmerking bij de berekening van het aantal uitgangen;
● Draai- en spiltrappen kunnen toegestaan worden, als de aantrede op de looplijn minstens 18 cm is;
● Het minimum aantal uitgangen kan door de brandweer worden verhoogd in functie van de configuratie van de lokalen.
3. Op basis van de breedte van de uitgangen
● Het maximum aantal personen is gelijk aan de som van de breedtes (uitgedrukt in centimeters) van alle uitgangen, die in aanmerking worden genomen.
Voor trappen moet een reductiefactor gehanteerd worden:
○ Voor trappen die naar de uitgang(en) dalen: maximum aantal personen = breedte x 0,8 (= 1,25 cm per persoon).
○ Voor trappen die naar de uitgang(en) stijgen:
maximum aantal personen = breedte x 0,5 (= 2 cm per persoon).
De breedte van de uitgangen, evacuatiewegen en trappen dient minimaal 70 cm te bedragen met een vrije hoogte van 2 m. De uitgangen die niet voldoen worden niet in rekening gebracht. Bij verbouwing en/of uitbreiding dient de minimale breedte 80 cm te bedragen.
4.2.2. Exploitatie
Een bord met hierop het maximaal aantal toegelaten personen dat in de inrichting aanwezig mag zijn, moet door de uitbater, duidelijk leesbaar en goed zichtbaar, worden aangebracht bij de ingang(en).
De uitbater neemt alle nodige maatregelen om te voorkomen dat meer personen aanwezig zijn dan op dit bord staat.
In de aangifte vermeldt de uitbater ook het maximaal aantal personen dat in zijn inrichting aanwezig mag zijn.
5. Bijlage 1 – Categorie 1 (aantal personen ≤ 9)
5.1. Inplanting
Geen specifieke voorschriften.
5.2. Compartimentering en bouwelementen
Geen specifieke voorschriften.
5.3. Voorschriften voor sommige bouwmaterialen en versieringen
5.3.1. Brandbare materialen
Gemakkelijk brandbare materialen, evenals gemakkelijk brandbare textiel- en kunststoffen, mogen noch als versiering noch als zichtbaar bouwmateriaal voor wanden en (valse) plafonds aangewend worden.
5.3.2. Horizontaal aangebrachte doeken
Horizontaal aangebrachte doeken zijn verboden.
5.3.3. Verticaal hangende doeken
Verticaal hangende doeken zijn toegestaan aan de (nood)uitgangen mits de (nood)uitgangen duidelijk aangegeven blijven door veiligheidssignalisatie en -verlichting.
De doeken kunnen makkelijk opzij geschoven worden.
5.4. Voorschriften voor de evacuatiewegen, uitgangen en trappen
5.4.1. De breedte van de uitgang(en) of trappen dient minimaal 70 cm te bedragen met een vrije hoogte van 2 m.
5.4.2. Deuren dienen snel en gemakkelijk te kunnen worden geopend door het verrichten van één handeling.
5.4.3. Het is verboden om het even welke voorwerpen die de doorgangen kunnen belemmeren of de breedte ervan verminderen, te plaatsen in de uitgangen en wegen die naar die uitgangen leiden.
5.4.4. Glazen wanden en de vleugels van glazen deuren moeten op ooghoogte een opvallend merkteken dragen.
5.5. Constructievoorschriften voor technische ruimten
5.5.1. In lokalen met verwarmingsinstallatie moeten alle nodige veiligheidsmaatregelen worden genomen om oververhitting, ontploffing en brand te voorkomen. In de omgeving van de verwarmingsinstallatie dient alles wat het brandrisico verhoogt, te worden geweerd.
5.5.2. Elektriciteits- en gastellers en/of afsluiters moeten steeds gemakkelijk bereikbaar
blijven.
5.5.3. Voor de kookgelegenheden zijn er geen specifieke voorschriften.
5.6. Uitrusting van de gebouwen
5.6.1. Verwarmingsinstallatie en waterverwarmingstoestellen
5.6.1.1. Verwarmingstoestellen met verbranding, moeten voorzien zijn van een voldoende
rookgasafvoer.
5.6.1.2. Open haarden of open vuren zijn enkel toegelaten in een vuurvaste en stabiele opstelling voorzien van afdoende rookgasafvoer. Het lokaal waarin de toestellen aanwezig zijn is voldoende geventileerd.
5.6.2. Verplaatsbare gasflessen voor brandbaar gas
Gasflessen voor brandbaar gas, zowel voor opslag als voor gebruik, mogen enkel in open lucht of in een doelmatig verlucht en uitsluitend voor dit gebruik bestemd lokaal geplaatst worden. Dit lokaal heeft wanden EI 60 en deuren EI1 30.
Gasflessen voor brandbare gassen zijn steeds verboden in kelders.
5.6.3. Andere brandstofvoorraden worden opgeslagen buiten het publiek toegankelijke
gedeelte.
5.6.4. Verlichting en elektrische installaties
5.6.4.1. De lokalen moeten behoorlijk verlicht kunnen worden. Alleen elektriciteit is toegelaten als kunstmatige verlichtingsbron.
5.6.5. Brandbestrijdingsmiddelen
5.6.5.1. De exploitant moet voldoende brandbestrijdingsmiddelen aanbrengen, aangepast aan de omstandigheden en aanwezige risico’s.
Het brandbestrijdingsmaterieel moet goed worden onderhouden, beschermd zijn tegen vorst en corrosie, op doeltreffende wijze gesignaleerd worden met pictogrammen (zoals opgenomen in bijlage 4), gemakkelijk bereikbaar opgehangen en oordeelkundig verdeeld zijn. Het moet te allen tijde onmiddellijk in werking kunnen worden gebracht.
De draagbare of mobiele brandblustoestellen dienen oordeelkundig over de oppervlakte toegankelijk voor het publiek te worden verdeeld.
5.6.5.2. In de inrichtingen toegankelijk voor publiek moet minimum 1 brandblusser conform EN 3 met minimaal 1 bluseenheid (bijvoorbeeld 6 kg ABC-poeder of 6 L water/schuim) aanwezig zijn.
5.6.5.3. Bij kookvoorzieningen moet een voldoende groot branddeken, conform EN 1869, opgehangen zijn. Voor frituurketels moet een goed sluitend metalen deksel in de onmiddellijke nabijheid aanwezig zijn.
5.6.6. Manueel alarmsysteem
Niet van toepassing
5.7. Organisatie
5.7.1. In elke publiek toegankelijke inrichting dient een veiligheidsregister permanent ter inzage te liggen voor de bevoegde instanties, alsook voor de personen die hiertoe door de burgemeester werden gemachtigd. Dit register bevat informatie over veiligheidsvoorschriften en vergunningen, waaronder (indien van toepassing):
● Brandveiligheidsverslag;
● Exploitatievergunning;
● Aantal toegelaten personen conform art. 4.2;
● Verslagen en/of attesten van de periodieke controles;
● Verzekeringspolis objectieve aansprakelijkheid in geval van brand en ontploffing.
5.7.2. In de lokalen toegankelijk voor het publiek mogen geen vuilnis (leeg verpakkingsmateriaal, palletten, papierresten,…), afgedankte voorwerpen of producten worden opgeslagen.
5.7.3. Het beperkt aanbrengen van sfeerverlichting met open vuur, zoals kaarsen, is enkel toegelaten mits ze stabiel opgesteld staan. Ze moeten op minstens een halve meter worden geplaatst van elk brandbaar materiaal.
Fakkels, olielampen, tuinkaarsen … zijn niet toegelaten.
5.7.4. De plaatsing van brandwerende deuren dient te gebeuren volgens de regels van goed vakmanschap (volgens plaatsingsinstructies van de fabrikant of van het Buildwise).
5.7.5. Indien aanwezig moet de verantwoordelijke volgende installaties periodiek laten nazien:
Installatie | Controleorgaan | Periodiciteit |
Elektrische laagspanningsinstallaties | EO | 5-jaarlijks |
Elektrische hoogspanningsinstallaties | EO | Jaarlijks |
Verwarmingsinstallatie met vaste en vloeibare brandstof (verbrandings- en reinigingsattest) | BT | Jaarlijks |
Verwarmingsinstallatie met gasvormige brandstof (verbrandings- en reinigingsattest) | BT | 2-jaarlijks |
Schoorsteen en rookkanalen (toestellen op vloeibare en vaste brandstoffen) | BT | Jaarlijks |
Brandbestrijdingsmiddelen (brandblussers) | BT | Jaarlijks |
Gasinstallatie (de gasmeter(s),de binnenleidingen en de gebruikstoestellen dichtheidsproef) | BT | 4-jaarlijks |
Dampkappen | BP | Jaarlijks |
Voor de toepassing van deze tabel wordt verstaan onder:
● EO: erkend organisme (elektrische installaties);
● EDTC: externe dienst voor technische controle (liften);
● BT: bevoegde technicus;
Aan de opmerkingen gemaakt tijdens de controle, moet de exploitant onmiddellijk het passend gevolg geven.
6. Bijlage 2 – Categorie 2 (10 ≤ aantal personen ≤ 49)
6.1. Inplanting
6.1.1. De inrichting is rechtstreeks en voortdurend bereikbaar door de voertuigen van de hulpdiensten. Op de private toegangswegen wordt steeds een rijstrook vrijgehouden waar stilstaan en parkeren verboden is. Hydranten moeten ten allen tijde vrij blijven en bereikbaar voor de hulpdiensten.
6.2. Compartimentering en bouwelementen
6.2.1. Nieuwe publiek toegankelijke inrichtingen dienen gecompartimenteerd te worden t.o.v. de overige delen van het gebouw met wanden EI 60 en deuren EI1 30.
6.2.2. Aanhorigheden met hoog brandrisico dienen gecompartimenteerd te worden t.o.v. de publiek toegankelijke ruimte door wanden die EI 60 hebben en zelfsluitende deuren EI1 30.
6.2.3. Bij gebruik van nieuwe of toegevoegde bouwelementen dienen deze te voldoen aan de eisen van de basisnormen inzake weerstand tegen brand.
6.2.4. Nieuwe verlaagde plafonds in publiek toegankelijke lokalen moeten minimaal een stabiliteit bij brand van R30 minuten hebben.
6.3. Voorschriften voor sommige bouwmaterialen en versieringen
6.3.1. Brandbare materialen
Gemakkelijk brandbare materialen, evenals gemakkelijk brandbare textiel- en kunststoffen, mogen noch als versiering noch als zichtbaar bouwmateriaal voor wanden en (valse) plafonds aangewend worden.
6.3.2. Horizontaal aangebrachte doeken
Horizontaal aangebrachte doeken zijn verboden.
6.3.3. Verticaal hangende doeken
Verticaal hangende doeken zijn toegestaan aan de (nood)uitgangen mits de (nood)uitgangen duidelijk aangegeven blijven door veiligheidssignalisatie en –verlichting.
De doeken kunnen makkelijk opzij geschoven worden.
6.3.4. Bij gebruik van nieuwe of toegevoegde bouwmaterialen dienen deze te voldoen aan de eisen van de basisnormen inzake reactie bij brand.
6.4. Voorschriften voor de evacuatiewegen, uitgangen en trappen
6.4.1. Op basis van het aantal toegelaten personen moeten de uitgangen, evacuatiewegen en trappen voldoen aan de bepalingen van art. 4.2.
6.4.2. Deuren dienen snel en gemakkelijk te kunnen worden geopend door het verrichten van één handeling.
6.4.3. Het is verboden om het even welke voorwerpen die de doorgangen kunnen belemmeren of de breedte ervan verminderen, te plaatsen in de uitgangen en wegen die naar die uitgangen leiden.
6.4.4. Glazen wanden en de vleugels van glazen deuren moeten op ooghoogte een opvallend merkteken dragen.
6.4.5. Deuren die niet in evacuatiezin openen, dienen van een duidelijk leesbaar opschrift “TREKKEN” voorzien te zijn.
6.4.6. Automatisch werkende deuren mogen gebruikt worden, mits zij, uitgerust zijn met paniekbeslag, ofwel bij het uitvallen van de elektrische stroom of een ander defect automatisch in open stand worden geplaatst.
6.4.7. Als de inrichting op bovenverdiepingen of in kelderverdiepingen lokalen heeft waar het publiek komt, moeten vaste trappen naar deze lokalen leiden. De trappen hebben volgende kenmerken:
● Een maximum hellingshoek van 45°;
● Een stevige leuning, open zijden zonder leuningen zijn niet toegelaten;
● Slipvrije treden;
● Veilig en vlot begaanbaar;
● Draaitrappen worden toegestaan indien de optrede op de looplijn minimum 24 cm bedraagt.
Bijkomend voor nieuwe trappen
● Een aantrede van minimum 18 cm;
Een optrede van maximum 20 cm;
6.5. Constructievoorschriften voor technische ruimten
6.5.1. In lokalen met een centrale verwarmingsinstallatie en/of installatie voor warmwaterproductie moeten alle nodige veiligheidsmaatregelen worden genomen om oververhitting, ontploffing en brand te voorkomen. In de omgeving van de installatie dient alles wat het brandrisico verhoogt, te worden geweerd.
Verbrandingstoestellen met gecumuleerd verbrandingsdebiet vanaf 75 kW dienen in een technisch lokaal met wanden EI 60 en zelfsluitende deuren EI1 30 te worden ondergebracht.
Elektriciteits- en gastellers en/of afsluiters moeten steeds gemakkelijk
bereikbaar blijven.
6.5.2. Kookgelegenheden
6.5.3. Geen specifieke voorschriften voor kitchenettes.
6.5.3.1. Frituurtoestellen bevinden zich op minstens 2 m van een evacuatieweg of zijn uitgerust met een vaste automatische blusinstallatie, welke gekoppeld is aan een mechanisme dat de toevoer van energie naar het toestel onderbreekt bij het in werking treden van de blusinstallatie.
Nabij een verplaatsbare friteuse is een goed passend metalen deksel en voldoende groot branddeken conform EN 1869 te voorzien.
6.5.3.2. Beperkt bakken en braden aan tafel alsook flamberen aan tafel in de publiek toegankelijke gedeelten zijn enkel toegestaan onder volgende voorwaarden:
● De toestellen hebben een CE-label;
● De energietoevoer kan per tafel onderbroken worden;
● De toestellen hebben een stabiele opstelling en kunnen bij gebruik niet makkelijk omgestoten worden.
De installatie van de toestellen dient te voldoen aan de reglementaire voorschriften en de regels van goed vakmanschap.
6.6. Uitrusting van de gebouwen
6.6.1. Verwarmingsinstallatie en waterverwarmingstoestellen
6.6.1.1. Verwarmingstoestellen met verbranding, moeten voorzien zijn van een voldoende rookgasafvoer.
6.6.1.2. Verplaatsbare verwarmingstoestellen voor stralingswarmte en recipiënten met vloeibare brandstoffen zijn niet toegestaan in lokalen die toegankelijk zijn voor het publiek.
6.6.1.3. Open haarden of open vuren zijn enkel toegelaten in een vuurvaste en stabiele opstelling voorzien van afdoende rookgasafvoer. Het lokaal waarin de toestellen aanwezig zijn is voldoende geventileerd.
6.6.2. Verplaatsbare gasflessen voor brandbaar gas
Gasflessen voor brandbaar gas, zowel voor opslag als voor gebruik, mogen enkel in open lucht beschermd tegen de zon of in een doelmatig verlucht en uitsluitend voor dit gebruik bestemd lokaal geplaatst worden. Dit lokaal heeft wanden EI 60 en deuren EI1 30.
Gasflessen voor brandbare gassen zijn steeds verboden in kelders.
6.6.3. Andere brandstofvoorraden worden opgeslagen buiten het publiek toegankelijke gedeelte.
6.6.4. Verlichting en elektrische installaties
6.6.4.1. De lokalen moeten behoorlijk verlicht kunnen worden. Alleen elektriciteit is toegelaten als kunstmatige verlichtingsbron.
6.6.4.2. De inrichting moet voorzien worden van veiligheidsverlichting, die onmiddellijk en automatisch begint te werken als de stroom uitvalt. Er moet voldoende veiligheidsverlichting zijn, die ook sterk genoeg verlicht, om een vlotte ontruiming te verzekeren. De veiligheidsverlichting moet minstens één uur zonder onderbreking kunnen functioneren.
6.6.5. Signalisatie
Het volgnummer van elke bouwlaag wordt duidelijk aangebracht op de overlopen en in de vluchtruimten bij trappenhuizen en liften.
De plaats van elke uitgang, evenals de richting van de wegen, uitgangswegen en trappen die naar deze uitgangen leiden, dienen te worden aangeduid door pictogrammen zoals opgenomen in bijlage Toelichtingen pictogrammen.
De zichtbaarheid van de pictogrammen wordt verzekerd, zowel door de normale
verlichting
6.6.6. Brandbestrijdingsmiddelen
6.6.6.1. De exploitant moet voldoende brandbestrijdingsmiddelen aanbrengen, aangepast aan de omstandigheden.
Het brandbestrijdingsmaterieel moet goed worden onderhouden, beschermd zijn tegen vorst en corrosie, op doeltreffende wijze gesignaleerd worden met pictogrammen (zoals opgenomen in bijlage 4), gemakkelijk bereikbaar opgehangen en oordeelkundig verdeeld zijn. Het moet te allen tijde onmiddellijk in werking kunnen worden gebracht.
De draagbare of mobiele brandblussers toestellen dienen oordeelkundig over de oppervlakte toegankelijk voor het publiek te worden verdeeld;
6.6.6.2. In de inrichtingen toegankelijk voor publiek moeten brandblussers conform EN 3 met minimaal 1 bluseenheid (bijvoorbeeld 6 kg ABC-poeder of 6 L water/schuim) doelmatig verdeeld worden in het gebouw;
● Minimum één bluseenheid per bouwlaag;
● Minimum één bluseenheid tot 50 m² vloeroppervlakte;
● Vanaf 50 m²:
o Minimum twee brandblussers met bluseenheid;
o 1 bluseenheid per 150 m² vloeroppervlakte.
6.6.6.3. Bij kookvoorzieningen moet een voldoende groot branddeken, conform EN 1869, opgehangen zijn. Voor frituurketels moet een goed sluitend metalen deksel in de onmiddellijke nabijheid aanwezig zijn.
6.6.7. Manueel alarmsysteem Niet van toepassing.
6.7. Organisatie
6.7.1. In elke publiek toegankelijke inrichting dient een veiligheidsregister permanent ter inzage te liggen voor de bevoegde instanties, alsook voor de personen die hiertoe door de burgemeester werden gemachtigd. Dit register bevat informatie over veiligheidsvoorschriften en vergunningen, waaronder (indien van toepassing):
● Brandveiligheidsverslag en -attest;
● Exploitatievergunning;
● Aantal toegelaten personen conform art. 4.2;
● Aantal toegelaten personen;
● Verslagen en/of attesten van de periodieke controles;
● Opleidingen personeel;
● Verzekeringspolis objectieve aansprakelijkheid in geval van brand en ontploffing.
6.7.2. Al het personeel moet ingelicht zijn over de gevaren van brand in de publiek toegankelijke inrichting, over het gebruik van de brandbestrijdingsmiddelen en over de ontruiming van de inrichting.
6.7.3. In de lokalen toegankelijk voor het publiek mogen geen vuilnis (leeg verpakkingsmateriaal, palletten, papierresten,…), afgedankte voorwerpen of producten worden opgeslagen.
6.7.4. Het beperkt aanbrengen van sfeerverlichting met open vuur, zoals kaarsen, is enkel toegelaten mits ze stabiel opgesteld staan. Ze moeten op minstens een halve meter worden geplaatst van elk brandbaar materiaal.
Fakkels, olielampen, tuinkaarsen … zijn niet toegelaten.
6.7.5. De plaatsing van brandwerende deuren dient te gebeuren volgens de regels van goed vakmanschap (volgens plaatsingsinstructies van de fabrikant of van het Buildwise).
6.7.6.Indien aanwezig moet de verantwoordelijke volgende installaties periodiek laten nazien:
Installatie | Controleorgaan | Periodiciteit |
Elektrische laagspanningsinstallaties | EO | 5-jaarlijks |
Elektrische hoogspanningsinstallaties | EO | Jaarlijks |
Veiligheidsverlichting | EO | 5-jaarlijks |
Veiligheidsverlichting – goede werking | BP | 6-maandelijks |
Liftinstallatie (Personenlift) | EDTC | 3-maandelijks (niet gecertificeerd) 6-maandelijks (gecertificeerde firma volgens ISO 9001) |
Verwarmingsinstallatie met vaste en vloeibare brandstof (verbrandings- en reinigingsattest) | BT | Jaarlijks |
Verwarmingsinstallatie met gasvormige brandstof (verbrandings- en reinigingsattest) | BT | 2-jaarlijks |
Schoorsteen en rookkanalen (toestellen op vloeibare en vaste brandstoffen) | BT | Jaarlijks |
Algemene branddetectie-installatie – goede werking (inclusief sturingen zoals zelfsluitende deuren,…) | BT | Jaarlijks |
Brandbestrijdingsmiddelen (brandblussers) | BT | Jaarlijks |
Gasinstallatie (de gasmeter(s),de binnenleidingen en de gebruikstoestellen dichtheidsproef) | BT | 4-jaarlijks |
Toestand brandwerende deuren | BP | 6-maandelijks |
Dampkappen | BP | Jaarlijks |
Voor de toepassing van deze tabel wordt verstaan onder: ● EO: erkend organisme (elektrische installaties);
● EDTC: externe dienst voor technische controle (liften);
● BT: bevoegde technicus;
● BP: bevoegd persoon
Aan de opmerkingen gemaakt tijdens de controle, moet de exploitant onmiddellijk het passend gevolg geven.
7. Bijlage 3 – Categorie 3 (aantal personen ≥ 50 personen)
7.1. Inplanting
7.1.1. De inrichting is rechtstreeks en voortdurend bereikbaar door de voertuigen van de hulpdiensten. Op de private toegangswegen wordt steeds een rijstrook vrijgehouden waar stilstaan en parkeren verboden is. Hydranten moeten ten allen tijde vrij blijven en bereikbaar voor de hulpdiensten.
7.2. Compartimentering en bouwelementen
7.2.1. De publiek toegankelijke inrichtingen dienen gecompartimenteerd te worden t.o.v. de overige delen van het gebouw met wanden EI 60 en deuren EI1 30.
7.2.2. Aanhorigheden met hoog brandrisico dienen gecompartimenteerd te worden t.o.v. de
publiek toegankelijke ruimte door wanden die EI 60 hebben en zelfsluitende deuren EI1 30.
7.2.3. Bij gebruik van nieuwe of toegevoegde bouwelementen dienen deze te voldoen aan de eisen van de basisnormen inzake weerstand tegen brand.
7.2.4. Nieuwe verlaagde plafonds in publiek toegankelijke lokalen moeten minimaal een stabiliteit bij brand van R30 minuten hebben.
7.3. Voorschriften voor sommige bouwmaterialen en versieringen
7.3.1. Brandbare materialen
Gemakkelijk brandbare materialen, evenals gemakkelijk brandbare textiel- en kunststoffen, mogen noch als versiering noch als zichtbaar bouwmateriaal voor wanden en (valse) plafonds aangewend worden.
7.3.2. Horizontaal aangebrachte doeken
Horizontaal aangebrachte doeken zijn verboden.
7.3.3. Verticaal hangende doeken
Verticaal hangende doeken zijn toegestaan aan de (nood)uitgangen mits de (nood)uitgangen duidelijk aangegeven blijven door veiligheidssignalisatie en –verlichting.
De doeken kunnen makkelijk opzij geschoven worden.
7.3.4. Bij gebruik van nieuwe of toegevoegde bouwmaterialen dienen deze te voldoen aan de
eisen van de basisnormen inzake reactie bij brand.
7.4. Voorschriften voor de evacuatiewegen, uitgangen en trappen
7.4.1. Op basis van het aantal toegelaten personen moeten de uitgangen, evacuatiewegen en trappen voldoen aan de bepalingen van art. 4.2.
7.4.2. Deuren dienen snel en gemakkelijk te kunnen worden geopend door het verrichten van één handeling.
7.4.3. Het is verboden om het even welke voorwerpen die de doorgangen kunnen belemmeren of de breedte ervan verminderen, te plaatsen in de uitgangen en wegen die naar die uitgangen leiden.
7.4.4. Glazen wanden en de vleugels van glazen deuren moeten op ooghoogte een opvallend merkteken dragen.
7.4.5. Alle nodige uitgangen moeten in de vluchtzin opendraaien of automatisch openen.
In volgende gevallen mogen uitgangen uitzonderlijk naar binnen draaien indien minstens twee uitgangen beschikbaar zijn die voldoen aan de vereisten in punt 4.2.:
● PTI’s voor maximum 99 personen waarbij enkel de exploitant wijzigt;
● PTI’s voor maximum 99 personen waarbij de verbouwingen geen betrekking hebben op de uitgangen.
De deuren moeten in dit geval voorzien zijn van een duidelijk leesbaar opschrift “TREKKEN”.
7.4.6. Automatisch werkende deuren mogen gebruikt worden mits zij uitgerust zijn met paniekbeslag, ofwel bij het uitvallen van de elektrische stroom of een ander defect automatisch in open stand worden geplaatst.
7.4.7. Geen enkel punt van de publiek toegankelijke ruimte mag verder liggen dan
● 45 meter van een eerste uitgang;
● 80 meter van een tweede uitgang (indien een tweede uitgang nodig is).
7.4.8. Alle uitgangen en nooduitgangen moeten bij aanwezigheid van publiek steeds onmiddellijk bruikbaar zijn en een snelle en gemakkelijke ontruiming van de aanwezigen mogelijk maken.
7.4.9. Uitgangen met één van volgende kenmerken worden aanvaard:
● Ze geven rechtstreeks uit op de openbare weg of op een hiermee gelijkgestelde veilige plaats;
● Ze verlopen via een evacuatieweg met wanden EI 30 en ze zijn voorzien van deuren EI1 30.
7.4.10. Als de inrichting op bovenverdiepingen of in kelderverdiepingen lokalen heeft waar het publiek komt, moeten vaste trappen naar deze lokalen leiden. De trappen hebben volgende kenmerken:
● Een optrede van maximum 20 cm;
● Een stevige leuning, open zijden zonder leuningen zijn niet toegelaten;
● Slipvrije treden;
● Veilig en vlot begaanbaar;
● Draaitrappen worden toegestaan indien de optrede op de looplijn minimum 24 cm bedraagt.
Bijkomend voor nieuwe trappen
● Een aantrede van minimum 18 cm;
Een optrede van maximum 20 cm;
7.5. Constructievoorschriften voor technische ruimten en keuken
7.5.1. Lokalen met verwarmingsinstallatie en brandstofvoorzieningen
7.5.1.1. In verband met de verwarmingsinstallatie moeten alle nodige veiligheidsmaatregelen worden genomen om oververhitting, ontploffing en brand te voorkomen. In de omgeving van de installatie dient alles wat het brandrisico verhoogt, te worden geweerd.
Elektriciteits- en gastellers en/of afsluiters moeten steeds gemakkelijk bereikbaar blijven.
7.5.1.2. Verbrandingstoestellen met gecumuleerd verbrandingsdebiet vanaf 75 kW dienen altijd in een technisch lokaal met wanden EI 60 en zelfsluitende deuren EI1 30 te worden ondergebracht. Voor installaties met een nominaal vermogen kleiner dan 75 kW geldt dat deze niet in een evacuatieweg noch trappenhal mogen geplaatst zijn.
7.5.1.3. De brandstoffenvoorraad moet in een afzonderlijk en goed verlucht lokaal worden geïnstalleerd. Dat lokaal moet voorzien zijn van wanden EI 60 en deuren EI1 30.
7.5.1.4. De toevoerleiding tussen het lokaal waarin de brandstoffenvoorraad staat en de stookplaats moet stevig bevestigd en uit metaal vervaardigd zijn. Deze leiding moet minstens één afsluitkraan hebben op een veilige en gemakkelijk bereikbare plaats.
7.5.2. Kookgelegenheden
7.5.2.1. Geen specifieke voorschriften voor kitchenettes.
7.5.2.2. Keukens hebben wanden EI 60 en zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren EI1 30 of de bak-, braad- en frituurtoestellen zijn uitgerust met een vaste automatische blusinstallatie, welke gekoppeld is aan een mechanisme dat de toevoer van energie naar het toestel onderbreekt bij het in werking treden van de blusinstallatie.
7.5.2.3. Gesloten elektrische ovens zijn toegelaten in een publiek toegankelijke ruimte van winkels als ze zodanig geplaatst zijn dat ze niet kunnen omgestoten worden en opgesteld worden op voldoende afstand (minstens 100 cm) van brandbare materialen.
7.5.2.4. Beperkt bakken en braden aan tafel alsook flamberen aan tafel in de publiek toegankelijke gedeelten zijn enkel toegestaan onder volgende voorwaarden:
● de toestellen hebben een CE-label;
● de energietoevoer kan per tafel onderbroken worden;
● De toestellen hebben een stabiele opstelling en kunnen bij gebruik niet makkelijk omgestoten worden.
De installatie van de toestellen dient te voldoen aan de reglementaire voorschriften en de regels van goed vakmanschap.
7.6. Uitrusting van de gebouwen
7.6.1. Verwarmingsinstallatie en waterverwarmingstoestellen
7.6.1.1. Een verwarmingsinstallatie moet geïnstalleerd zijn volgens de regels van goed vakmanschap.
7.6.1.2. Verwarmingstoestellen met verbranding, moeten voorzien zijn van een voldoende rookgasafvoer.
7.6.1.3. Verplaatsbare verwarmingstoestellen voor stralingswarmte en recipiënten met vloeibare brandstoffen zijn niet toegelaten in lokalen die toegankelijk zijn voor het publiek.
7.6.1.4. Open haarden of open vuren zijn enkel toegelaten in een vuurvaste en stabiele opstelling voorzien van afdoende rookgasafvoer. Het lokaal waarin de toestellen aanwezig zijn is voldoende geventileerd.
7.6.2. Verplaatsbare gasflessen voor brandbaar gas
Gasflessen voor brandbaar gas, zowel voor opslag als voor gebruik, mogen enkel in open lucht beschermd tegen de zon of in een doelmatig verlucht en uitsluitend voor dit gebruik bestemd lokaal geplaatst worden. Dit lokaal heeft wanden EI 60 en deuren EI1 30.
Gasflessen voor brandbare gassen zijn steeds verboden in kelders.
7.6.3. Andere brandstofvoorraden worden opgeslagen buiten het publiek toegankelijke gedeelte.
7.6.4. Verlichting en elektrische installaties
7.6.4.1. De lokalen moeten behoorlijk verlicht kunnen worden. Alleen elektriciteit is toegelaten als kunstmatige verlichtingsbron.
7.6.4.2. De inrichting moet voorzien worden van veiligheidsverlichting, die onmiddellijk en automatisch begint te werken als de stroom uitvalt. Er moet voldoende veiligheidsverlichting zijn, die ook sterk genoeg verlicht, om een vlotte ontruiming te verzekeren. De veiligheidsverlichting moet minstens één uur zonder onderbreking kunnen functioneren.
7.6.5. Signalisatie
Het volgnummer van elke bouwlaag wordt duidelijk aangebracht op de overlopen en in de vluchtruimten bij trappenhuizen en liften.
De plaats van elke uitgang, evenals de richting van de wegen, uitgangswegen en trappen die naar deze uitgangen leiden, dienen te worden aangeduid door pictogrammen zoals opgenomen in bijlage Toelichting pictogrammen.
De zichtbaarheid van de pictogrammen wordt verzekerd zowel door de normale verlichting als door de veiligheidsverlichting.
7.6.6. Brandbestrijdingsmiddelen
7.6.6.1. De exploitant moet voldoende brandbestrijdingsmiddelen aanbrengen, aangepast aan de omstandigheden.
Het brandbestrijdingsmaterieel moet goed worden onderhouden, beschermd zijn tegen vorst en corrosie, op doeltreffende wijze gesignaleerd worden met pictogrammen (zoals opgenomen in bijlage 4), gemakkelijk bereikbaar opgehangen en oordeelkundig verdeeld zijn. Het moet te allen tijde onmiddellijk in werking kunnen worden gebracht.
De draagbare of mobiele brandblustoestellen dienen oordeelkundig over de oppervlakte toegankelijk voor het publiek te worden verdeeld.
7.6.6.2. In de inrichtingen toegankelijk voor publiek moeten brandblussers conform EN 3 met minimaal 1 bluseenheid (bijvoorbeeld 6 kg ABC-poeder of 6 L water/schuim) doelmatig verdeeld worden in het gebouw;
● Minimum twee brandblussers met 1 bluseenheid;
● Minimum één bluseenheid per 150 m² vloeroppervlakte;
● Minimum één bluseenheid per bouwlaag.
7.6.6.3. In de publiek toegankelijke inrichtingen met een totaal voor publiek toegankelijke oppervlakte groter dan 1000 m², dienen muurhaspels met axiale voeding beantwoordend aan NBN EN 671-1 geplaatst te worden. Men opteert voor het type DMH 20/19 of DMH 30/25 (respectievelijk 20 m en 30 m slanglengte). Ieder punt van de publiek toegankelijke ruimte kan bereikt worden met de waterstraal van de haspelslang (rekening houdende met inrichting, meubilair en eventuele obstakels). De muurhaspels worden zonder voorafgaande bediening gevoed met water onder druk. De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd te worden in staal of in een materiaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.
7.6.6.4. Bij kookvoorzieningen moet een voldoende groot branddeken, conform EN 1869, opgehangen zijn.
7.6.7. Manueel alarmsysteem
In een publiek toegankelijke inrichting die valt onder één van onderstaande bepalingen, is een alarminstallatie met voldoende oordeelkundig geplaatste drukknoppen en sirene(s) verplicht:
● 250 personen of meer toegelaten;
● 100 personen of meer toegelaten, verspreid over meerdere bouwlagen.
7.6.8. Branddetectie
7.6.8.1. In publiek toegankelijke inrichting waar geen brandwerende scheiding aanwezig is t.o.v. het privéwoongedeelte met slaapverblijf van de exploitant, dienen gekoppelde detectoren aanwezig te zijn.
7.6.8.2. Waar het aantal toegelaten personen groter is dan 500 personen is een automatische branddetectie verplicht.
Bij nieuwe inrichtingen waar het aantal toegelaten personen groter is dan 500 personen is een automatische branddetectie verplicht conform NBN S21-100-1 [en addenda].
7.7. Organisatie
7.7.1. In elke publiek toegankelijke inrichting dient een veiligheidsregister permanent ter inzage te liggen voor de bevoegde instanties, alsook voor de personen die hiertoe door de burgemeester werden gemachtigd. Dit register bevat informatie over veiligheidsvoorschriften en vergunningen, waaronder (indien van toepassing):
● Brandveiligheidsverslag en -attest;
● Exploitatievergunning;
● Aantal toegelaten personen conform art. 4.2;
● Aantal toegelaten personen;
● Verslagen en/of attesten van de periodieke controles;
● Opleidingen personeel;
● Verzekeringspolis objectieve aansprakelijkheid in geval van brand en ontploffing.
7.7.2. Al het personeel moet ingelicht zijn over de gevaren van brand in de publiek toegankelijke inrichting, over het gebruik van de brandbestrijdingsmiddelen en over de ontruiming van de inrichting.
7.7.3. In de lokalen toegankelijk voor het publiek mogen geen vuilnis (leeg verpakkingsmateriaal, palletten, papierresten,…), afgedankte voorwerpen of producten worden opgeslagen.
7.7.4. Het beperkt aanbrengen van sfeerverlichting met open vuur, zoals kaarsen, is enkel toegelaten mits ze stabiel opgesteld staan. Ze moeten op minstens een halve meter worden geplaatst van elk brandbaar materiaal.
Fakkels, olielampen, tuinkaarsen … zijn niet toegelaten.
7.7.5. De plaatsing van brandwerende deuren dient te gebeuren volgens de regels van goed vakmanschap (volgens plaatsingsinstructies van de fabrikant of van Buildwise).
7.7.6. Indien aanwezig moet de verantwoordelijke volgende installaties periodiek laten nazien:
Installatie | Controleorgaan | Periodiciteit |
Elektrische laagspanningsinstallaties | EO | 5-jaarlijks |
Elektrische hoogspanningsinstallaties | EO | Jaarlijks |
Veiligheidsverlichting – goede werking | BP | 6-maandelijks |
Veiligheidsverlichting | EO | 5-jaarlijks |
Liftinstallatie (Personenlift) | EDTC | 3-maandelijks (niet gecertificeerd) 6-maandelijks (gecertificeerde firma volgens ISO 9001) |
Verwarmingsinstallatie met vaste en vloeibare brandstof (verbrandings- en reinigingsattest) | BT | Jaarlijks |
Verwarmingsinstallatie met gasvormige brandstof (verbrandings- en reinigingsattest) | BT | 2-jaarlijks |
Schoorsteen en rookkanalen (toestellen op vloeibare en vaste brandstoffen) | BT | Jaarlijks |
Algemene branddetectie-installatie – goede werking (inclusief sturingen zoals zelfsluitende deuren,…) | BT | Jaarlijks |
Alarminstallatie (geen norm) – goede werking | BP | Jaarlijks |
Algemene branddetectie-installatie – conformiteit norm | GKI | Bij ingebruikname + wijziging installatie |
Algemene branddetectie-installatie – goede werking (inclusief sturingen zoals zelfsluitende deuren,…) | BT | Jaarlijks |
Brandbestrijdingsmiddelen (brandblussers/muurhaspels/automatische blusinstallatie) | BT | Jaarlijks |
Gasinstallatie (de gasmeter(s),de binnenleidingen en de gebruikstoestellen dichtheidsproef) | BT | 4-jaarlijks |
Toestand brandwerende deuren | BP | 6-maandelijks |
Dampkappen | BP | Jaarlijks |
Voor de toepassing van deze tabel wordt verstaan onder:
● GKI: geaccrediteerd keuringsinstantie waaronder o EO: erkend organisme (elektrische installaties); o EDTC: externe dienst voor technische controle (liften);
● BT: bevoegde technicus;
● BP: bevoegd persoon
Aan de opmerkingen gemaakt tijdens de controle, moet de exploitant onmiddellijk het passend gevolg geven.
8. Bijlage 4 – Evenementen
8.1. Indienen aanvraag
Het indienen van de aanvraag voor het organiseren van een evenement verloopt via de kanalen en volgens de voorwaarden die gelden in de gemeente waar het evenement wordt georganiseerd. De aanvraag wordt bij voorkeur digitaal ingediend. In sommige gemeenten kan dit ook nog schriftelijk gebeuren. Op de gemeentelijke website kan u eventuele (e-)formulieren terug vinden. Het indienen van de aanvraag gebeurt minimaal 45 kalenderdagen alvorens het evenement plaatsvindt.
8.2. Adviezen
Na ontvangst van de evenementenaanvraag bij de gemeente kan er advies gevraagd worden aan de brandweer. Onafhankelijk van de categorie van het evenement kan elke betrokken dienst een overleg inplannen met de aanvrager indien zij dit noodzakelijk achten om hun advies op te maken.
8.2.1. Categorie 1
Een evenement met laag risico wordt door de gemeente geadviseerd op basis van de ‘Evenementen fiches’ ter beschikking gesteld door brandweer Zone Rand.
8.2.2. Categorie 2
Bij een evenement met gematigd risico wordt er door de brandweer een gepersonaliseerd advies verleend op basis van de informatie beschreven in het document ‘Minimale informatie voor de brandweer’.
8.2.3. Categorie 3
Evenementen met een hoog risico worden geadviseerd door de brandweer op basis van een overleg met de aanvrager en de informatie beschreven in het document ‘Minimale informatie voor de brandweer’.
Indien er een verslag wordt opgemaakt door de brandweer is het retributiereglement van Brandweer Zone Rand van toepassing.
9. Toelichting pictogrammen
De pictogrammen dienen op een passende hoogte te worden geplaatst en op wijze dat ze zichtbaar zijn vanuit elke punt van de inrichting. De grootte van de pictogrammen is aangepast aan de inrichting en bedraagt minimaal 20 cm bij 10 cm.
Volgens KB 17 juni 1997 | ||
Plaats van een uitgang die gewoonlijk door de aanwezigen wordt gebruikt ( primaire vluchtmogelijkheid). | ||
Richting van een uitgang (rechts) die gewoonlijk door de aanwezigen wordt gebruikt (primaire vluchtmogelijkheid). | ||
Richting van een nooduitgang. De nooduitgang is veelal de secundaire vluchtmogelijkheid. | ||
Plaats van een nooduitgang. De nooduitgang is veelal de secundaire vluchtmogelijkheid. | ||
Brandblusser | ||
Muurhaspel | ||
Drukknop alarm | ||
Volgens ISO 7010 | ||
Plaats van een uitgang die gewoonlijk door de aanwezigen wordt gebruikt. | ||
Richting van een uitgang die gewoonlijk door de aanwezigen wordt gebruikt. | ||
Brandblusser | ||
Muurhaspel | ||
Drukknop alarm | ||
Art.2-
De gecoördineerde versie van het algemeen politiereglement zal bekend gemaakt worden overeenkomstig de bepalingen van het decreet Lokaal Bestuur, zijnde publicatie op de gemeentelijke website
Art.3.-
Dit reglement treedt in werking 5 werkdagen na publicatie.
Register der bekendmakingen
Deze webpagina vormt het openbare register van gemeentelijke reglementen en verordeningen, in overeenstemming met het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2023 betreffende de bekendmakingen en raadpleegbaarheid van besluiten en documenten van het lokale bestuur met betrekking tot de manier waarop ze moeten worden bijgehouden.
Wanneer een publicatie wordt uitgevoerd, zal er een expliciete "bundel" van het document worden opgeslagen. Op dat moment is het document inhoudelijk niet meer aanpasbaar door de gebruiker.
Deze "bundel" bestaat uit:
De inhoud van de publicatie op het moment dat deze werd uitgevoerd.
Een unieke identificatie van de gebruiker die de actie heeft uitgevoerd.
De tijdstempel waarop de actie heeft plaatsgevonden.
Al deze gegevens staan in een aparte publicatie omgeving die beveiligd en toegankelijk is voor een beperkt aantal personen.